Biologische bestrijding en evenwicht

Biologische bestrijding en evenwicht

Binnen de Ettensebaan in Breda is een groot eikenbestand aanwezig. Hier was enige overlast door eikenprocessierups vanwege het naastgelegen fietspad. Arbor Consultancy heeft hier, samen met Biocontrole en Agropoli, een monitoring en werkplan voor opgezet om te zien of de plaagdruk kon worden beheerst.

Hier zijn diverse bodemanalyses uitgevoerd om inzicht te verkrijgen over de bodemomstandigheden. Hieruit is gebleken dat:

  • Plaatselijk bodemverdichting is gemeten, waardoor zuurstoftekorten ontstaan;
  • Tekort aan bodemschimmels, wat van invloed is op de bodemstructuur, omzetting voedingsstoffen en opneembaarheid;
  • Tekort aan magnesium. Hierdoor is de opneembaarheid van elementen verminderd;
  • Tekort aan zwavel. Zwavel zorgt voor beter opneembaarheid van diverse elementen, waardoor blad minder aantrekkelijk wordt voor bladvreters;
  • Tekort aan borium. Borium zorgt voor beter opneembaarheid van diverse elementen, waardoor blad minder aantrekkelijk wordt voor bladvreters;
  • Beperkte aanwezigheid silicium. Minder silicium in het blad maakt het blad aantrekkelijker voor bladvreters;
  • Overdaad aan natrium, wat schadelijk is voor bodemleven.

Bij wijze van proef is hier een referentievak geselecteerd waar geen maatregelen zijn uitgevoerd. Bij de overige bomen zijn bodemverbeterende maatregelen uitgevoerd. Zo is hier jaarlijks een laag van 2 cm bodemverbetering aangebracht op het maaiveld en is het maaibeleid aangepast naar extensief maaien. Tevens wordt gefaseerd gemaaid zodat hier jaarrond grassen, kruiden en bloemen aanwezig zijn. De eerste maatregelen zijn in het najaar van 2021 getroffen, welke zijn uitgevoerd door Zoontjens Boomprojecten. Vervolgens is de projectlocatie meerder keren per jaar gemonitord op het voorkomen van de eikenprocessierups. Hieruit is vooralsnog gebleken dat de bomen waarbij de verbetering is uitgevoerd, een donkerdere bladkleur vertonen, een vollere bladzetting hebben en (op het oog) meer scheutlengte vertonen.

De bevindingen betreffende de eikenprocessierupsen lopen uiteen, wat in lijn is met bevindingen door het gehele land. Ook lijkt de plaagdruk in zijn algemeenheid wat af te nemen de afgelopen jaren. Wel blijkt uit klop-proeven dat binnen het deel waar verbetering is uitgevoerd, meer natuurlijke vijanden aanwezig te zijn dan waar geen maatregelen zijn uitgevoerd.

 

Medio 2024 zullen opnieuw bodemmonsters worden genomen om de effecten van de verbeteringen te kunnen meten.


Foto 1: beeld na eerste keer aanbrengen verbeteren  foto 2: situatie 2023

 

Diverse natuurlijke vijanden

In de praktijk worden 2 soorten natuurlijke vijanden uitgezet; larven van lieveheersbeestjes en larven van gaasvliegen.

Bij de larven van het lieveheersbeestje betreft het larven van het inheemse, twee-stippelige lieveheersbeestje (Adalia bipunctata). Eén larve kan 50 tot 80 luizen per dag eten, maar ook jonge eikenprocessierupsen worden gegeten. De larven zijn gevoelig voor lage temperaturen, waardoor deze pas uitgezet worden bij dagtemperaturen van 15 graden of meer (doorgaans vanaf half mei). Nadeel is dan dat er in sommige jaren een behoorlijke luizenpopulatie/plaagdruk aanwezig is, die dan moeizaam de kop in kan worden gedrukt.

Bij de gaasvliegen betreft het larven van de Chrysoperla carnea. Eén larve kan tot 50 luizen per dag eten, maar ook eikenprocessierupsen (1e en 2e stadium), wolluis, vlindereitjes en tripsen worden graag gegeten door de larven. Doordat gaasvlieglarven minder temperatuurgevoelig zijn, kunnen deze medio april al worden uitgezet, wanneer de eipakketen van eikenprocessierupsen uitkomen, maar ook als de plaagdruk van bladluizen nog laag is.

Fun fact, gaasvlieglarven verzamelen diverse organische materialen, zoals mos, om zich te vermommen/verschuilen.

 

Groeiplaatsverbeterende maatregelen

Bomen in een beperkte conditie en/of met een afnemende vitaliteit zijn vatbaarder voor plaagdieren dan gezond groeiende bomen. Mogelijk veranderd er wat in de samenstelling van het plantsap waardoor de boom aantrekkelijke wordt voor de plaagdieren. Een andere, mogelijke, oorzaak is de hardheid van het blad. Bomen met een verminderde conditie zijn niet in staat om alle benodigde elementen (of voldoende volumes hiervan) en/of vocht op te nemen. Hierdoor ondervinden de bomen stress. Tevens is de celstructuur binnen de bladeren niet optimaal, waardoor deze interessanter zijn voor plaagdieren.

Gekandelaberde bomen vormen met hun snelle reactiegroei vaak slappere bladeren. De prioriteit van de boom ligt in het compenseren van het kroonverlies en zal snel veel bladmassa proberen te vormen.

Het voorkomen van stressreacties in bomen is een belangrijke preventieve maatregel. Dit kan door de bomen niet te fors te snoeien (maximaal 20% van het bladvolume) en schades (zowel onder- als bovengronds) te voorkomen. Forse snoei zal eventuele overlast dus niet verminderen, maar mogelijk zelfs verergeren.

Over het algemeen ligt de basis voor een verminderde conditie in de groeiplaatsomstandigheden. Een gedegen groeiplaatsonderzoek geeft inzicht in de oorzaak van de verminderde groei, waardoor deze systematisch kan worden aangepakt. Hierbij valt te denken aan ‘eenvoudige’ maatregelen als het vergroten van boomspiegels, inplanten van boomspiegels, sturende bemesting, opheffen verdichting, aanbrengen van voedingspeilers of tot meer ingrijpende maatregelen zoals groeiplaatsuitwisseling of het vergroten van de groeiplaatsen.

 

Belang van bloemrijke bermen

Bloemrijke bermen dragen bij aan biodiversiteit en het aantrekken van natuurlijke vijanden van verschillende plaagdieren. Onder de natuurlijke vijanden verstaan wij onder andere gaasvliegen, lieveheersbeestjes, sluipwespen, sluipvliegen en roofwantsen. De volwassen gaasvliegen hebben schermbloemigen nodig, evenals pollen en nectar om hun levenscyclus te kunnen voltooien en de kans op reproductie waar dit gewenst is zo groot mogelijk te maken.

De vegetatie biedt schuilmogelijkheden en voedingsbronnen (diverse insecten en ongewervelden, maar ook nectar). Door het stimuleren van bermen met een hoge biodiversiteit, wordt de reproductie kans van de uitgezette natuurlijke vijanden groter en wordt een biotoop gecreëerd waardoor de volwassen dieren langer in het uitzetgebied zullen blijven en voor nieuwe generaties zullen zorgen welke de plaagdierdruk kunnen doen afnemen.

Daarnaast dragen bloemrijke bermen bij aan een gezonde bodem. Door een extensiever maaibeleid neemt de kans op bodemverdichting af. De soortenrijkdom draagt bij aan een evenwichtiger bodemleven. Tevens blijft meer blad tussen de hogere vegetatie aanwezig, waardoor dit op locatie kan verteren en ten gunste komt van de bodem.

Heeft u binnen uw bomenbestand last van plaagdieren, bomen met verminderde groei of behoefte aan een goed gesprek? De consulenten van Arbor Consultancy helpen u graag. Klik hier >>